Krachtig nieuw trace analyse framework voor utilities

Welke klanten komen zonder water bij het isoleren van een netdeel? Welke sectie van het gasnetwerk is kathodisch beschermd? Welke netdelen in een gas-of waternetwerk behoren tot een specifieke drukzone? Welke klanten worden er gevoed vanuit de laagspanning zijde van een transformator? Wat is een optimale route voor een nieuwe klant naar een toegangspunt van het glasvezelnet? Traces zijn van belang om de doorstroom van het medium (elektriciteit, data, gas, warmte of water) te bepalen.

Daarnaast kunnen traces ook op connectiviteitsniveau worden toegepast als datakwaliteitstool. Het achterhalen welke assets er netlogisch verbonden of juist niet verbonden zijn in (een deel van) het netwerk is dan het doel.

utility1

Drukzones (in dit geval in een water netwerk gescheiden door zone-afsluiters)

Trace framework
Onlangs is binnen het ArcGIS-platform het Utility Network Management gelanceerd. Een ‘toekomstbestendig raamwerk’ voor de utility- en telecommarkt. Er is een volledig nieuw trace framework ontwikkeld. Geïmplementeerd als geoproces-tool, met een enorme flexibiliteit in configuratiemogelijkheden. In eerste instantie vanuit een ArcGIS Pro-client. Door de webservices-opzet van het ArcGIS Utility Network Management-extensie kunnen trace analyses in volgende versies ook in web en offline mobiele clients worden uitgevoerd. Daarmee komt het tegemoet aan de wensen van de utility- en telecomsector.

Voorbeelden van traces
Traces beginnen altijd vanuit één of meerdere startpunten, en stoppen bij een eindpunt van het netwerk, een gedefinieerd stoppunt voor dit type trace of een opgevoerde barrière (optioneel).

Een voorbeeld is een isolatietrace in een waternetwerk, waarbij eerst een startpunt wordt gecreëerd voor de trace (meestal een lekpositie in het netwerk). Vanuit dit punt wordt het netwerk beide kanten op doorlopen tot er een gedefinieerd stoppunt wordt bereikt (afsluiter) of een eindpunt van het netwerk.

Verdere verfijning van een dergelijke trace, kan geconfigureerd worden door afsluiters, die niet bedienbaar zijn (open en dicht gedraaid kunnen worden) niet als stoppunt te beschouwen. Vervolgens door vertakte netdelen, die verbonden zijn met het geïsoleerde netdeel en dus niet vanuit een ander punt gevoed kunnen worden toe te voegen aan de isolatietrace. Het resultaat van deze trace zou er uit kunnen zien als in onderstaande afbeelding.

Utility2

Isolatietrace water, incl. niet gevoede (dode einden)

Een tweede voorbeeld is een downstream trace vanuit een MS/LS-station in een elektriciteitnetwerk, waarbij we vanuit de LS-zijde van de transformator alle daarmee verbonden aansluitingen opsporen. Als resultaat zouden enkel de aansluitingen kunnen volstaan, maar er is uiteraard de mogelijkheid om alle assets betrokken in de trace mee te nemen in de resultaatset. De omgekeerde functie om vanuit een aansluiting upstream te tracen naar de transformator in het voedende station is eveneens mogelijk.

Utility3

Downstream trace in Elektriciteitsnet tot alle klantaansluitingen

Utility4

Upstream trace in elektriciteitsnet vanuit een klanten aansluiting

Flexibiliteit van het framework
Het trace analyse framework, biedt een aantal configuratie mogelijkheden om de trace resultaten te sturen. Het betreft hier opties om:

→ Containers (bijvoorbeeld stations) met content (installatiecomponenten) mee te nemen in de trace.
→ Ondersteunende structuren (bijvoorbeeld HS-masten) mee te nemen in de trace.
→Filters; netwerk attributen (bijvoorbeeld alleen afsluiters, die niet in de categorie zone-afsluiter vallen, en geen dienstkraan zijn).
→ Berekeningen: bijvoorbeeld de totale lengte van de leidingen van materiaaltype PVC in de trace.
Gedefinieerde stoplocaties:
→ kunnen bepaald worden door een categorie. Een voorbeeld hiervan is categorie “Kathodische bescherming” en de stoplocaties zijn materiaal overgangen van ST naar kunststof en/of een KB-isolatiestuk.
→of door een conditie, stop de trace na een gemeten lengte van 1500 meter.
→of door specifieke netwerk attributen, bijvoorbeeld stop de trace als de status “buiten bedrijf” is.
→Output: met deze configuratie wordt bepaald welk type assets worden meegenomen in het trace resultaat. De resultaatset is een selectie, die weer als invoer voor aanvullende analyses of voor export naar andere applicaties kan worden gebruikt.

Een van de meest interessante aspecten van dit nieuwe trace framework is dat de toegepaste configuratie kan worden opgeslagen, en vervolgens als favoriet kan worden opgenomen in de user interface ribbon met trace typen en zo eenvoudig hergebruikt.

Dit blog is het derde uit een serie van vijf blogs, geschreven door Gert van Dijk. Hij is business developer utilities bij Esri Nederland. Gert heeft al 30 jaar ervaring in de sector en nu 10 jaar werkzaam bij Esri Nederland. Hiervoor was hij werkzaam bij GE en Siemens. In eerdere blogs is de Esri Utility Network Management-extensie geïntroduceerd als een oplossing voor assetregistratie en zijn de geavanceerde edit mogelijkheden beschreven. Het volgende blog gaat over een andere kijk op het netwerk, namelijk via schematische diagrammen.

Wilt u meer weten over de ArcGIS Utility Network Management-extensie? Schrijf u dan in voor de Esri GIS Tech op dinsdag 10 april via deze link. Hier zullen Gert van Dijk en zijn Amerikaanse collega Tom Brown, die aan de wieg stond van de ontwikkeling van de extensie, een presentatie geven.

Dit bericht is geplaatst in Utilities. Bookmark de permalink.

Comments zijn gesloten.